VRIJDAG 17 OKTOBER 2025

Al een uur lig ik te draaien in bed, op zoek naar slaap. Wanneer ik op mijn telefoon kijk, is het 01:30 uur. Met gesloten ogen kom jij direct in beeld. In een roze balletpakje, zittend op de grond, worstelend met het elastiek van een balletschoentje.
Op de achtergrond klinkt de Boléro van Maurice Ravel die ik heb opgezet omdat jij ook wilde dansen, net als je grote zus. Je bent twee. Je blonde haar wipt op en neer terwijl de muziek doorgaat en jij blijft bewegen. De enige die op die leeftijd nog lichtblond was.
Later kreeg je het donkerste haar en de donkerste ogen. Het is geen droom.
Dit is echt: vastgelegd op een van de vele videofilms die je vader maakte. Vorig jaar heb ik ze geordend en op een USB-stick gezet. Het is niet de eerste keer dat dit beeld zo scherp voorbijkomt.
Meestal kap ik het dan af, omdat ik het zo moeilijk vind wanneer ik dit terughaal. Maar deze keer laat ik alles toe.
Ergens vanbinnen lijkt er weer iets te breken. Mijn benen trek ik op, alsof het gemis dan minder ruimte inneemt. Ik voel het in mijn romp en mijn buik. Mijn gezicht duw ik in het kussen en de drang om keihard te gaan schreeuwen zwelt aan. Maar het gebeurt niet. De tranen komen wel. Gepaard met die achterlijke, maar nu zo bekende kreetjes en het gevoel dat alles in mij scheurt. Stoppen lukt niet.
Dan voel ik dat Bram zich naar me toedraait en zijn arm om me heen slaat.
‘Ik kán niet meer,’ fluister ik door mijn dichtgeknepen keel tegen hem aan. ‘Ik doe, ik lach en probeer zó mijn best te doen. Ik ga naar een fotocursus, naar tai chi, naar een kerstmarkt en uit eten, maar alles voelt als overleven.’ De woorden komen zacht maar gejaagd.
‘Terwijl ik soms alleen maar in een donker hoekje wil zitten. Schreeuwen, keihard janken, of in mijn bed blijven met het dekbed over mijn hoofd.’
‘Ja, schat,’ zegt hij zacht. ‘Maar dat moet je juist niet doen.’
‘Maar dat dóé ik toch ook niet,’ zeg ik harder in het stille donker.
‘Het is alleen zo fucking moeilijk en het lukt soms echt niet.’
Wanneer ik nog een poosje zo blijf liggen, merk ik dat het heftige gevoel langzaam wegebt.
‘Ik ga er even uit, thee maken. Probeer jij maar te slapen.’
Ik geef hem een kus. Hij zegt niets.
Zo hebben we het afgesproken, al in het begin – toen hij zei dat hij zich zo machteloos voelde wanneer ik zo verdrietig ben en hij dan niet weet wat te zeggen of te doen.
Toen gaf ik aan dat hij niets hoefde te zeggen, dat hij alleen maar een arm om me heen moest slaan en me vasthouden. Gewoon laten merken dat hij mij ziet.
En dat doet hij. Steeds weer.